Keuze voor didactische werkvormen
Didactiek.
Een les of cursus bestaat maar zelden uit één werkvorm. Monologen, dialogen, discussies en opdrachten wisselen elkaar af; niet alleen voor de broodnodige variatie, maar ook omdat met andere werkvormen andere doelen worden bereikt.
In onderstaand overzicht wordt duidelijk welke werkvormen het meest geschikt zijn voor het bereiken van welke doelen:
Een uitbreiding van werkvormen en leerdoelen geeft onderstaand overzicht:
- Doelen Enkele voorbeelden van geschikte werkvormen
- 1. kennis instructie, televisie, gesprek, groepsinterview, film, lichtbeelden, radio, discussie op basis van een tekst, lezen, internet
- 2. inzicht lezing, demonstratie, film, dramatiseren, leergesprek, probleemoplossende discussie, internet
- 3. vaardigheden rollenspel, spel, acties, participatie, oefening, instructie
- 4. gewoonten, houding ervaring uitwisselen, groepsgerichte discussie, rollenspel
- 5. waarde aanvoelen televisie, lezing, debat, film, geleide discussie, ervaring uitwisselen, rollenspel
- 6. interesse televisie, demonstratie, film, lichtbeelden, informatie-uitwisseling, tentoonstellingen, internet
De keuze voor de meest geschikte didactische werkvorm wordt ook bepaald door:
- Leerinhouden
- Groepsgrootte
- Beschikbare tijd
- Beginsituatie van de cursisten
Leerinhouden: op basis van het gewenste doel worden de meest relevante inhouden geselecteerd; als de cursisten bijvoorbeeld aangeboden informatie zich eigen moeten maken (kennis) kan dit gemakkelijker door aanbiedings-, dan door gespreksvormen.
Groepsgrootte: als een groep (te) groot of (te) klein is, zal een aantal werkvormen niet goed mogelijk zijn; zo zullen in een grote groep bij een discussie te weinig mensen aan bod kunnen komen.
Beschikbare tijd: als veel informatie in een korte tijd moet worden overgedragen is een discussie of het maken van een werkstuk niet efficiënt; de docent zal dan meestal terugvallen op aanbiedingsvormen.
Beginsituatie van de cursisten: zijn de cursisten gestuurd door hun baas of komen zij uit eigen belangstelling en interesse naar de cursus? Weten de cursisten ongeveer evenveel van het onderwerp af of bestaan er grote verschillen? Zijn de cursisten bekend met bepaalde gespreks- of zelfstandigheidsvormen of hebben zij hier nog nooit mee geoefend?
Deze gegevens zijn van belang bij de keuze voor didactische werkvormen. Zo is de keuze bij een homogene groep gemakkelijker dan bij een heterogene.
« Soorten vragen in een onderwijsleergesprek — Werkvorm: Demonstratie en oefening »
