Het voeren van begeleidingsgesprekken (techniek)
Competentiegericht opleiden.
In ons artikel over de struktuur van het begeleidingsgesprek komt tot uiting dat het goed kunnen voeren van een begeleidingsgesprek het nodige aan gesprekstechniek vraagt van de opleider/begeleider. In dit artikel gaan we hier nader op in.
Zoals uit de verschillende stappen van het begeleidingsmodel blijkt moet u goed kunnen reageren op datgene wat de leerling vertelt. Het is belangrijk dat u open vragen aan de leerling stelt. Dit zijn vragen die:
- De leerling de ruimte geven het antwoord zelf te bepalen
- De leerling stimuleren na te denken
- De samenwerking tussen u en de leerling stimuleren
Daarnaast is het belangrijk dat u goed luistert en de juiste feedback geeft.
Reacties van de opleider in het begeleidingsgesprek
De belangrijkste reacties van de opleider als feedback op de leerling zijn:
- de reflectie (ordenende samenvatting)
- de explorerende vraag
- tussenwerpsels
Reflectie
Een reflectie is een ordening of een samenvatting in eigen woorden. De opleider reflecteert op de leerervaringen en ideeën van de leerling, bijvoorbeeld: ‘Als ik jou goed begrijp dan zou je graag het tentamen over ….. willen uitstellen?’
Een goede reflectie geeft in u in eigen woorden en is op het leerproces gericht.
Reflecties zijn geen definitieve uitspraken, maar pogingen om de leerling te begrijpen.
Door reflectie:
- Kan de opleider het leerproces van de leerling stimuleren
- Controleert de opleider of hij de leerling goed heeft begrepen en zal de leerling zich begrepen voelen
- Kan de opleider bijdragen aan een goede relatie tussen de opleider en de leerling
Explorerende vraag (E-in vragen)
De explorerende vraag is gericht op het vragen naar meer informatie. Het begrijpen van de leerling is immers voorwaarde om een reflectie te kunnen geven. Explorerende vragen zijn over het algemeen kort. Voorbeelden zijn:
- Hoezo?
- En toen?
- Wat betekent dat voor jou?
- Denk je dat je het kunt afronden?
Vermijd suggestieve vragen als ‘Je had zeker geen tijd om te studeren?’en stel geen twee vragen tegelijk.
Tussenwerpsel
In een begeleidingsgesprek gebruikt u zowel verbale als non-verbale reacties. Verbale reacties als ‘hm-hm’’of ‘ja, ja’ (tussenwerpsels) stimuleren de leerling verder te praten. Het tussenwerpsel gebruikt u als de leerling bezig is met het vertellen van zijn ervaringen. Met tussenwerpsels geeft u aan dat u goed luistert.
Feedback verhogen
De hierboven besproken reacties zijn vormen van feedback. De opleider en de leerling reageren op elkaar. Het geven en ontvangen van feedback kan op verschillende manieren worden verhoogd.
Geven van feedback
- Beschrijf wat u heeft waargenomen, interpreteer niet
- Geef informatie over dingen die goed gingen en geef suggesties ter verbetering van minder goede punten
- Beschrijf de situatie vanuit eigen waarneming, ga niet moraliserend of kritiserend te werk
- Ga in op concrete gebeurtenissen en op concreet gedrag
- Geef feedback op de feiten, niet op de persoon
- Beschrijf het effect van het gedrag van de ander op uzelf, bijvoorbeeld:’ik ben erg geschrokken van je reactie’
- Geef feedback waar de ander iets mee kan doen: geef de mogelijkheid tot bijsturing
- Geef feedback zo snel mogelijk; van wat zojuist gebeurd is, weet iedereen nog het meeste af
- Geef de ontvanger ruimte om te reageren, bijvoorbeeld door stiltes in te lassen
Ontvangen van feedback
- Probeer de informatie op te vatten als een mogelijkheid om gedrag bij te sturen
- Geef aan wat u met deze informatie denkt te kunnen doen
- Neem voldoende tijd om te reageren
- Zorg ervoor dat het proces van feedback geven op een natuurlijke wijze verloopt, anders wordt het tegenovergestelde bereikt
« Het voeren van begeleidingsgesprekken (struktuur) — Competentieprofiel praktijkopleider »
