Het geven van begeleiding
Competentiegericht opleiden.
Begeleiding geven is het werk dat de opleider doet om de leerlingen te motiveren, aan te moedigen en te inspireren, zodat zij de leerdoelen gemakkelijker zullen realiseren. Het uiteindelijke doel is de leerlingen zo te motiveren dat zij de verantwoordelijkheid voor hun eigen leren op zich nemen. Een (praktijk-) opleider krijgt als begeleider geen gemakkelijker leven dan een opleider die doceert. De taken verschuiven van uitvoerend naar voorbereidend en naar meer aandacht voor de organisatie van het leerproces tijdens een bijeenkomst. Dit betekent dat de cursisten zich actiever dan in een ‘gewone’ overdrachtsituatie moeten gaan opstellen: immers ‘een leerling leert van wat hij doet en niet van wat de (praktijk-) opleider doet’
Welke activiteiten maken een opleider tot begeleider?
We geven hieronder een aantal voorbeelden:
De begeleider:
- maakt de weg naar het leerdoel duidelijk
- helpt de cursisten die weg te gaan
- geeft cursisten ruimte om aan de slag te gaan
- geeft (veel) feedback
- laat cursisten zelf vragen stellen
- vraagt cursisten vragen van medecursisten te beantwoorden
- laat cursisten problemen oplossen
- stelt zich in bepaalde situatie terughoudend op
- vraagt door, ordent en vat samen
- schept randvoorwaarden om een oefening optimaal te laten verlopen
De begeleider creëert deze situaties: hij initieert, zet in gang, stimuleert, legt uit en als zijn leerlingen bezig zijn ondersteunt, coacht, adviseert en motiveert hij.
Een effectieve begeleider dient een aantal begeleidingsstijlen tot zijn beschikking te hebben, afhankelijk van de situatie moet hij deze stijlen kunnen toepassen. De volgende stijlen kunnen onderscheiden worden:
Ontwijken
Doel:
- Leerlingen dwingen tot nadenken
- Middel tegen gemakzuchtige leerlingen
- Zelfstandigheid bevorderen
Gedrag van begeleider
- Niet te diep op vragen/problemen ingaan
- Terughoudende opstelling
- Problemen (even) op zijn beloop laten
- Communicatie (nog even) beperken
- Afwachten
Actief luisteren
Doel:
- Middel tot formulering
- Dwingen onderscheid hoofd- en bijzaken
- Belangstelling tonen
Gedrag van begeleider
- Doorvragen, ordenen, samenvatten
- Laten uitspreken
- Geen eigen mening geven
Raadgeven
Doel:
- Proces op gang brengen/houden
- Oplossingsgerichtheid
- Stimuleren
- Andere zienswijzen aanreiken
Gedrag van begeleider
- Suggesties aan de hand doen
- Advies geven op basis van deskundigheid
- Keuzemogelijkheden aanreiken
- Betrokken buitenstaander
Samenwerken
Doel:
- ‘Twee weten meer dan een’
- Proces op gang brengen/houden
- Patstelling doorbreken
- Goed voorbeeld doet volgen
Gedrag van begeleider
- Ruimte geven en ruimte invullen
- Oplossingen bereiken door gelijkwaardige inbreng
- Wederzijdse openheid
- Accepteren van andere zienswijzen
Voorschrijven
Doel:
- Proces op gang brengen/sturen
- Correcte handelswijze instrueren
- Eenduidigheid aanbrengen
- Effectiviteit en efficiency bevorderen
Gedrag van begeleider
- Zelf problemen van de leerling oplossen
- Oplossingen opleggen
- Zelf verantwoordelijkheid voor oplossing nemen
- Instrueren
Zoals uit de volgorde van bovenstaande stijlen valt af te leiden verlopen zij van een volgende houding van de begeleider tot een zeer sturende. Welke stijl in bepaalde situatie het meest geschikt is hangt af van de mate van vakbekwaamheid en werkhouding van de leerling.
De hierboven beschreven stijlen van begeleiding sluiten aan bij de stijlen van leidinggeven die
Hersey en Blanchard (1987) onderscheiden bij hun 4 stijlen van leidinggeven: de mate van aanwezige vakbekwaamheid en werkhouding bepaalt welke stijl van leidinggeven voor hem (de leerling) het meest effectief is. De stijlen S1 t/m S4, te weten instrueren (1), begeleiden (2), ondersteunen/coachen (3) en delegeren (4) hebben hun eigen kenmerken op de variabelen ‘behoefte aan ondersteuning’ en ‘aanwezige vakinhoudelijke kennis’. Zij noemen dit situationeel of situatiegericht leidinggeven.
Onze begeleidende praktijkopleider zal ook op basis van bovengenoemde kenmerken (mate van zelfstandigheid en aanwezige vakbekwaamheid) in staat moeten zijn de meest gepaste, situatiegerichte begeleidingsstijl voor zijn leerling te kiezen en toe te passen.
« Observatielijst bij werkvorm demonstratie en oefening — Het voeren van begeleidingsgesprekken (struktuur) »
